Bewegingsonderwijs Primair en Speciaal Onderwijs 

Op het forum van de VNG en ook op andere platforms zien wij steeds meer vragen over het bewegingsonderwijs. Hieronder hebben we op een rij gezet hoe om te gaan met de: 

  • Gewijzigde wetsteksten over normuren 
  • Gewijzigde berekening van achterstandsscores in PO en gewijzigde berekeningen in het (V)SO 
  • Onderhoud van niet door de gemeente beheerde gymzalen. 
     

Normatieve uren bewegingsonderwijs.  
Het wettelijk vastleggen van een minimum verplicht aantal uren bewegingsonderwijs heeft er met name mee te maken dat veel scholen niet toekwamen aan het aantal van twee lesuren per week en er les gegeven werd door niet bevoegde leerkrachten.  

De normeringen zijn genoemd in aantallen uren. Er is veel onduidelijkheid of hier dan klokuren of aantal lesuren wordt bedoeld. Het vastleggen van de normen in de wet komt voort uit een motie die in de Tweede Kamer is ingediend (leden Heerema en Van Nispen). In deze motie wordt gesproken over uren bewegingsonderwijs. De indieners van de motie hebben later verklaard dat het een wens is om te komen tot twee klokuren, maar dat het niet reëel is om dit in 2023 al te realiseren en daarom het aantal uren nu moet worden gelezen als aantal lesuren.  
 
Hoe opgenomen in de wet. 
Geeft de tekst in de wet ons een handleiding?  Zowel in de WPO als de WEC is in respectievelijk artikel 126 en 121 in het tweede lid de volgende tekst opgenomen: 
‘’Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste twee uren voor basisscholen en ten minste twee uren voor speciale scholen voor basisonderwijs “. 

Het hanteren van een gelijke tekst in de WPO als in de WEC lijkt een redactionele fout van de bepaling voor het aantal uren in de WEC. Het basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs vallen onder de werking van de WPO. In de bepalingen van de WEC wordt in zijn geheel niet gesproken over uren voor scholen voor speciaal (voortgezet) onderwijs.  
 
De wetsaanpassingen door de vereenvoudiging van de bekostiging hebben er niet toe geleid dat er meer duidelijkheid is ontstaan over het begrip ‘uren’ en het aantal uren.  

Wat staat er in de modelverordening? 
In bijlage III van de modelverordening van de VNG is in onderdeel B het volgende opgenomen. 
 
B.2. Lokalen bewegingsonderwijs  
1. De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld: 
a. voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder; 
b. voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs,  op 2,25 klokuren per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder en 
c. als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuren per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar. 

 Conclusie normatieve uren: 
Bij de behandeling van de motie die heeft geleid tot het wetsvoorstel is de intentie om te komen tot meer uren  bewegingsonderwijs uitgesproken. Gelet op de praktische en financiële uitvoerbaarheid is dit losgelaten; 
– Helaas is toen nagelaten het begrip ‘uren’ goed te definiëren. Hierdoor is de verwarring over lesuren of klokuren ontstaan; 
– In de tekst die nu is opgenomen in de WEC zijn schoolsoorten benoemd die niet onder de werking van de WEC vallen;  
– De bepalingen zoals die in de modelverordening zijn opgenomen kunnen van kracht blijven als genormeerd aantal uren per groep.  

Berekening aantal groepen 
De wijze van berekening van het aantal groepen en daarmee van het aantal klokuren is voor het primair- en speciaal onderwijs opgenomen in de model beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs (zie bijlage). 

De werkwijze van de berekening van de klokuren is een afgeleide van LONDO en de bekostiging voor materiële instandhouding uit het verleden. Voor het primair onderwijs bestaat de berekening uit 4 componenten: 

  • Het aantal leerlingen van 4 t/m 7 jaar vermenigvuldigd met 0,05. In feite deel je hiermee het aantal leerlingen door 20, de theoretische groepsgrootte in de onderbouw. 
  • Het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder vermenigvuldigd met 0,0343, een theoretische groepsgrootte van 29 leerlingen; 
  • Een specifieke berekeningswijze voor kleine scholen 
  • Een berekening voor extra (kleinere) groepen voor achterstandsleerlingen 

De uitkomst is een aantal groepen dat het theoretisch aantal groepen van een basisschool. Omdat dit inclusief leerlingen in groep 1 en 2 is, moet de uitkomst worden gesplitst in groepen 1 + 2 (4 en 5-jarigen) en de overige groepen. Hiervoor is een splitsingstabel gemaakt. 

In het (voortgezet) speciaal onderwijs is de berekening een stuk simpeler. Iedere schoolsoort heeft zijn eigen groepsgrootte en door het aantal leerlingen te delen door deze groepsgrootte, weet je het aantal groepen. 

De model beleidsregel is voor het laatst gewijzigd in 2014 en behoeft actualisatie. Zo is deze beleidsregel nog niet aangepast aan de berekeningswijze met CBS achterstandsscores en wordt voor het speciaal onderwijs geen onderscheid meer gemaakt. Hiervoor zal een wijziging plaatsvinden van de beleidsregel. Door de wijziging van de WPO als gevolg van de vereenvoudiging bekostiging moet de  wijze van bepalen van het aantal groepen opgenomen gaan worden in de verordening. Wij gaan met de VNG in overleg of hoe zij dit willen vormgeven.  

In de praktijk is te zien dat veel gemeenten worstelen met de lacune in de niet meer actuele beleidsregel. Annemarie van Grinsven van Ruimte-OK heeft een aangepaste berekening gemaakt met achterstandsscores.  

Het aantal gymgroepen, zoals bedoeld in artikel 1, wordt vastgesteld op het aantal formatieplaatsen dat wordt berekend met de volgende formule G = (A + B + C + D):  

A =      0,05 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot en met 7 jaar op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO.  
B =      0,343 x het aantal leerlingen in de leeftijd van 8 jaar en ouder dat op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO.  
C =      1,5642 – (het aantal leerlingen op de datum, bedoeld in artikel 14, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO,  x 0,0115), met dien verstande dat C niet kleiner is dan nul. 
D = 0,0179 x [De achterstandsscore, zoals gepubliceerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vermenigvuldigd met 7,17%, rekenkundig afgerond op een geheel getal].  

Afronding: De factoren A, B, C en D worden onafgerond gebruikt in de berekening en de factor G wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.  

Voor het speciaal onderwijs is er nog geen nieuwe aanpassing. Het is op dit moment vooral logisch handelen en afstemmen.  

Daarbij kan je het volgende vertrekpunt nemen: 

Voor het SO deel je het aantal leerlingen door 12 en voor het VSO door 7. Uitzondering op dit vertrekpunt is het aantal leerlingen SO dat het aantal leerlingen dat extra m² krijgt volgens bijlage III, artikel B 1.3, lid 2. Dit aantal leerlingen wordt ook gedeeld door 7. 
 
Wij zien echter ook dat gemeenten hun beleidsregel zo aanpassen dat voor het aantal groepen wordt uitgegaan van het daadwerkelijk aantal aanwezige groepen van 6 tot en met 12 jaar (bv gemeente Waalwijk). 

Op basis van de vereenvoudiging van de bekostiging is voor de bekostiging van de scholen een teldatum 1 februari ingevoerd. Voor de huisvesting (instandhouding van scholen) blijft de teldatum 1 oktober van toepassing.   Deze informatie is nog steeds te verkrijgen via DUO. Deze gegevens kunnen als basis blijven dienen voor het aantal groepen bewegingsonderwijs en de daarmee gepaard gaande vergoeding materiële instandhouding en onderhoud (zie hieronder). 

Vergoeding Materiële instandhouding en onderhoud.  
Landelijk beheren gemeenten zelf de meeste gymzalen. Soms wordt bij inpandige gymzalen of bijzondere situaties gekozen om gymzalen te laten exploiteren door het schoolbestuur. Sommige gemeenten kiezen er voor om alle gymzalen door het schoolbestuur te laten exploiteren. 

De vergoeding voor het gebruik van gymzalen van deze door het schoolbestuur geëxploiteerde gymzalen vindt plaats via een klokuurvergoeding. In deze vergoeding zit een bedrag voor de materiële instandhouding, vervangen (gym)toestellen en speelvloer. Op basis van het aantal uren gebruik van de gymzaal wordt een klokuurvergoeding verleend. De bedragen voor de klokuurvergoedingen worden jaarlijks door het VNG geïndexeerd en is onderdeel van de indexering van de normeringen voor bouw en eerste inrichting.  

In tegenstelling tot de schoolgebouwen is het buitenonderhoud van gymzalen een verantwoordelijkheid van de gemeente gebleven. Eigenaren van de gymzalen kunnen voor het buitenonderhoud een aanvraag indienen bij de gemeente. Dit op basis van de verordening of veelal een bepaling die is opgenomen in een verordening materiële financiële gelijkstelling.