Oude Utrechtseweg 4a, 3743 KN Baarn

(T) 0624797158  (E) projectbureau@lvo-onderwijs.nl

Blog

door Gert Plomp

Vorige maand werd ik geconfronteerd met een aanvraag van een schoolbestuur voor het beschikbaar stellen van € 1,5 mln voor het saneren van asbest op een tiental scholen. Twee zaken vielen op: de aanvraag werd ingediend als spoedprocedure en het betrof in alle gevallen een constructiefout.

Voorzieningen onderwijshuisvesting

In de diverse onderwijswetten is de zorg voor de huisvesting van scholen aan de gemeente opgedragen. De wet geeft aan welke voorzieningen tot de onderwijshuisvesting behoren en daarmee tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Op grond van onder meer artikel 92, eerste lid onder letter c van de Wet op het primair onderwijs wordt onder voorziening in de huisvesting (mede) begrepen het herstel van constructiefouten. Volgens de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Opsterland 2010 (verder Huisvestingsverordening) blijkt de noodzaak tot herstel van constructiefouten uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.

Spoedprocedure

Volgens Huisvestingsverordening treedt een spoedprocedure in werking als er, gelet op de voortgang van het onderwijs, direct moet worden ingegrepen. Er is in het onderhavige geval niet duidelijk gemaakt of in alle betrokken schoolgebouwen de voortgang van het onderwijs in gevaar komt. Zelfs waar sprake zou zijn van de hoogste prioriteit, kan uitvoering in sommige gevallen pas plaatsvinden in de zomervakantie van 2018.

Dit betekent dat er feitelijk geen sprake is van (een) spoedprocedure(s). Omdat in een aantal gevallen toch wel de nodige snelheid betracht moet worden bij het oplossen van het asbestprobleem, is het wenselijk dat die aanvragen niet worden doorgeschoven naar het bekostigingsjaar 2019.

Constructiefouten

Asbest is een natuurlijke mineraal dat tot 1993 in de bouw werd gebruikt. In de loop der tijd werd duidelijk dat asbest gevaar oplevert voor de gezondheid. Het inademen van asbestdeeltjes kan tot verschillende dodelijke ziektes leiden.

Asbesthoudend materiaal is op zichzelf niet gevaarlijk. Zolang asbest in gebonden toestand verkeert, is er in principe geen gevaar voor de gezondheid. Dit betekent dat asbesthoudend materiaal niet altijd direct verwijderd hoeft te worden. Indien de gebouwgebruikers niet direct blootstaan aan asbest en er geen sloop- ,groot onderhoud- of renovatieplannen zijn, vormt asbest niet per se een gezondheidsrisico.

Uit de bij de aanvragen overlegde asbestinventarisatierapporten blijkt dat de meeste asbest in de gebouwen hechtgebonden asbest is dat niet beschadigd of versleten is. Tevens geeft de rapporteur aan dat in de meeste gevallen pas gesaneerd hoeft te worden bij sloop of renovatie van het gebouw. Dit houdt in dat de noodzaak tot het verwijderen van asbest niet aanwezig is en er dus geen sprake is van (een) constructiefout(en). Daardoor is er ook geen sprake van een voorziening in de zin van artikel 92 van de WPO.

Omdat het schoolbestuur alle zaken heeft aangemerkt als constructiefout, terwijl daar niet in alle gevallen sprake van is, zouden alle aanvragen moeten worden geweigerd en op het overzicht worden geplaatst.

Asbest saneren

Er is al geconstateerd dat in een aantal gevallen bij sanering de nodige spoed moet worden betracht. Uitgangspunt is dat waar asbest niet leidt tot gevaarlijke situaties, er geen noodzaak tot verwijderen bestaat. Mocht het schoolbestuur het asbest toch willen verwijderen, enkel als voorzorgsmaatregel, dan dient het dit zelf uit te voeren en ook voor de kosten op te draaien.

Maar er zijn onderdelen die de nodige aandacht verdienen. In de regel gaat het om beschadigd en/of versleten hechtgebonden asbest of om niet-hechtgebonden asbest. In die gevallen zou er sprake van een constructiefout kunnen zijn.

Asbest ligt maatschappelijk gevoelig. Het desbetreffende schoolbestuur heeft ook in de omliggende gemeenten scholen en heeft het daar voor elkaar gekregen dat de gemeenten de kosten van de sanering vergoeden. De politiek wil ook best een steentje eraan bijdragen. Met het schoolbestuur wordt overlegd over de mogelijkheden.

Nu nog alle wifi-verbindingen de scholen uit en de leerlingen kunnen ook stralingsvrij onderwijs volgen.

..

 ‘Alles heeft zijn tijd nodig, of onder druk wordt alles vloeibaar’

Roger Brull, geboren in 1962 in Limburg en van mijn vijfde tot mijn 29ste gewoond in Groningen. Nu wonend in Vaassen (de mooie Veluwe), getrouwd met Ellis en  vader van zoon Lars en dochter Lieke.  
Tot juridisch bestuurskundige opgeleid in Groningen heb ik tijdens mijn werk aanvullende opleidingen gevolgd, van makelaardijleer tot vastgoedmanagement. Maar ook voor een goed getapt glas (horeca) of een massage (masseur) kun je bij mij terecht.
Mijn  hele werkzame leven ben ik bezig geweest met de onderwijshuisvesting en bij verschillende gemeenten in dienst geweest of heb ik via detachering voor gemeenten gewerkt. Op dit moment ben ik in dienst bij de gemeente Ede als adviseur onderwijshuisvesting.  
Ik ben een liefhebber van wat meer abstracte kunst. In mijn vrije tijd mag ik graag boogschieten en ook fiets ik een dag in de week naar mijn werk in een velomobiel (zo'n rijdende banaan). Wat me, zeg maar, kenmerkt is een combinatie van sportief bezig zijn en praktisch ingesteld. Naar mijn werk moet ik toch; de sportschool is zo overbodig. Als je gezond wilt blijven is bewegen nodig en het is ook nog goed voor het milieu. Dit typeert ook mijn werkaanpak.
                                      
Onderwijshuisvesting is van oorsprong een normatief, regelend stelsel, waarvoor de interesse afneemt. Het gaat om het oplossen van ‘maatschappelijke’ huisvestingsvraagstukken, waarbij bepaalde vragen/wensen vanuit historie, regels en normen beperkt moeten worden. Op basis van een ‘verdelingsvraagstuk van schaarse middelen’ maakt het politieke bestuur (Kabinet, Tweede, Eerste Kamer en politieke partijen) op landelijk niveau al meer dan 20 jaar niet waar wat zij met de mond belijdt. Wat mij betreft pleit dit voor zo snel mogelijke ‘doordecentralisatie van onderwijshuisvesting naar schoolbesturen’. Bij voorkeur met overheveling van de huidige rijksmiddelen; dit legt de knelpunten direct bloot, maar lost helaas nog niets op.

 

Volgens de Algemene Rekenkamer wordt het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op onderwijshuisvesting gezien als een waardevolle opbrengst van de samenwerking tussen gemeenten en schoolbesturen. In dit proces spelen transparantie, betrouwbaarheid en denken vanuit het gemeenschappelijk belang een belangrijke rol. Het is zaak dat gemeenten samen met de schoolbesturen naar mogelijkheden zoeken om een gezamenlijke visie te ontwikkelen.
Het Huisvestingsvoorstel van VNG, PO-Raad en VO-raad kan hierbij richting geven, omdat schoolbesturen en gemeenten een gezamenlijk Integraal Huisvestingsplan moeten vormgeven. Gemeenten en schoolbesturen kunnen elkaar hier vinden als gedacht wordt vanuit de ambitie goede onderwijsgebouwen te realiseren. Hierbij gaat het niet alleen over cement, stenen en geld. Belangrijker nog is visie ontwikkeling met betrekking tot de inhoud. Onderwijs en gemeenten, leerlingen en ouders vinden  elkaar dan in ideeën over de toekomst in een passende, thuisnabije en perspectiefvolle onderwijsomgeving. Door de decentralisatie van (onderwijs)middelen is de noodzaak tot ontwikkelen van inspirerende huisvesting als gezamenlijke prestatie nog belangrijker geworden.
Wat zou het goed zijn om binnen de samenwerkingsverbanden PO en VO samen met de betrokken gemeenten tot die visie ontwikkelingen te komen. Ontschotting van geldstromen, maar ook het weghalen van beleidsmuren om zodoende alle kinderen binnen hun individuele mogelijkheden een zo goed mogelijke toekomst te bieden.
De tanende maar wel benodigde kennis over onderwijshuisvesting en de inhoudelijke kennis over onderwijs en aanpalende beleidsterreinen verdient versterking bij de gemeenten. Niet iedere gemeente voor zich maar gezamenlijk, binnen de eerder genoemde samenwerkingsverbanden. Nog mooier zou het zijn als de beleidsmedewerkers m/v elkaar regelmatig tegenkomen in een gedeelde werkomgeving. Zeg maar een organische kruisbestuiving i.p.v. al die verplichte overleggen zoals LEA, REA, OGOO en noem zo maar op. Optimale samenwerking tussen onderwijs en gemeenten/wijk/gebiedsteams binnen al bestaande geografisch bestuurlijk/ambtelijk verbanden waar natuurlijke koppelingen tussen beleidsmedewerkers en kennisdragers als vanzelf ontstaan. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen beïnvloeden beleidsontwikkelingen en krijgen in netwerkorganisaties zoals hierboven geschetst optimaal de ruimte.
Het Ondersteuningsplan is nu voor gemeenten ‘painting by numbers’. Gemeenten en scholen kunnen samen een schets maken van de toekomst. Vanuit visie gedreven en perspectiefrijk, waarin kinderen centraal staan. Wat zou het mooi zijn om met dit dromenpalet een nieuwe werkelijkheid te kunnen schilderen.

Ik wens u een prachtige zomer.

Gertjan Nijpels
 

Beste leden en belangstellenden,
Sinds kort leef ik met de wetenschap voorgedragen te zijn als uw nieuwe
voorzitter. Mijn naam is Gertjan Nijpels en in het dagelijks leven ben ik
burgemeester van de gemeente Opmeer. Daarnaast ben ik lid van de VNG
adviescommissie onderwijs, cultuur en sport. Mijn grote bestuurlijke liefde
ligt in het onderwijs en dan met name bij de belangenbehartiging van
ieder kind. Om die reden is het voor mij een genoegen, als u daarmee
instemt, voorzitter te worden van uw vereniging. Het uitventen van de bij
u allen aanwezige kennis en kunde naar de huidige en toekomstige
bestuurders, veelal via mijn bestuurlijke functie binnen de VNG, is iets om
naar uit te zien. Graag werk ik mee aan het verankeren van uw adviezen
binnen de bestuurlijke omgevingen van eenieder die er toe doet binnen
ons onderwijs. Hiertoe zullen we pogen onze adviezen te koppelen aan de
VNG agenda en waar nodig ook ongevraagd van ons laten horen. U als
leden van de LVO bent onmisbaar in de keten van advisering en
besluitvorming en ik hoop daar mijn bestuurlijke steentje aan bij te
dragen.
Vriendelijke groet
Gertjan Nijpels

Al jaren reis ik elk kwartaal met veel plezier af naar Bilthoven. Daar vindt dan het overleg plaats van
de sectie FMH (Financiën, Middelen en Huisvesting) van het LVO. Allemaal ambtenaren
onderwijshuisvesting!
Daar ben je onder collega’s en kun je leed en overwegingen delen. Soms blijken je opvattingen niet de
kritiek te kunnen doorstaan. Die kun je dan inruilen voor beter argumenten. Vaak pik je vroegtijdig
nieuwe ontwikkelingen op. Zinvol & prettig, óók omdat Wim Ruiterkamp (De Bilt) ons altijd heel gastvrij
ontvangt in een prettige omgeving.
Als je zo een paar jaar meedoet, dan ken je de mensen ook beter en weet je ze te waarderen.
Daardoor was wel duidelijk dat op de achtergrond ook een bestuur actief is. Gert Plomp, die van zowel
de sectie als het bestuur de voorzitter is, hangt zijn functie in het bestuur aan de wilgen. Ook Jan
Brand bleek scheidend bestuurslid.
Gert belde of ik over het bestuurslidmaatschap wilde nadenken. Dat lijkt neutraal, maar als je eenmaal
een paar keer meepraat, dan ben je gecommitteerd! Ik hield een slag om de arm; er waren ook
gesprekken met een nieuwe beoogde voorzitter. Stel je voor dat ik met hem niet door één deur kan en
we nog jaren met maandelijks elkaar verder moeten.
In de vorige vergadering is me duidelijk geworden dat ik me dáár geen zorgen over hoef te maken.
Gert Jan stelt zichzelf wel voor. Toen die zorg uit de lucht was, heb ik ingestemd met het lidmaatschap
van het bestuur. Kort daarna heb ik eveneens ingestemd met het overnemen van het
penningmeesterschap van Jan.
Gestrikt of erin getuind? We gaan het beleven!
Voor hen die meer van me willen weten: h.putker@zuidplas.nl. Ik ben low profile op LinkeIn-groep
onderwijshuisvesting en iets actiever op het gelijknamige forum van de VNG.
Hans Putker

In juni schreef ik dat ik zou vertrekken als voorzitter omdat mijn statutaire
termijn als bestuurslid erop zat. Omdat op dat moment de vacature van
voorzitter nog niet vervuld was, heb ik aangeboden nog een tijdje door te
gaan.
Tijdens de afgelopen bestuursvergadering heb ik het voorzitterschap
overgedragen aan Gert Jan Nijpels. Gert Jan heeft een uitgebreide
bestuurlijke achtergrond en ik ben blij dat hij de hamer heeft
overgenomen. Ik verwacht dat met hem als voorzitter ook de banden met
de VNG strakker zullen worden aangehaald en dat is goed voor het
onderwijsgebeuren.
Omdat ik wel voorzitter van FMH blijf en sinds kort ook de werkgroep
over de visie op onderwijshuisvesting leid, heb ik aangeboden het
bestuur nog een tijdje te zullen ondersteunen. Daar is dankbaar op
ingegaan en ik kan dus langzaam afkicken.

Omdenken
Binnen mijn gemeente zijn we bezig met gekanteld werken. Dit houdt in
dat we vragen vanuit ons werk op een andere manier moeten bekijken.
Uitgangspunt is dat de klant (burger) centraal staat en dat we moeten
proberen maatwerk te verlenen. Dit betekent ook dat we anders met de
regels moeten omgaan.
Dat dit veel lastiger is dan we denken, bewijst de praktijk. Vanuit de idee
van passend onderwijs dient elke school voldoende te kunnen inspelen
op de onderwijsbehoefte van het kind. Als de school dit niet kan bieden,
moet binnen het samenwerkingsverband gekeken worden naar een
school die wel aan die behoefte kan voldoen.
Voor langdurig zieke kinderen, zwakbegaafde kinderen en kinderen met
een stoornis hebben we vaak wel een passende oplossing. Met
hoogbegaafde leerlingen is het anders gesteld. Hoewel er al veel
scholen pakketten en methodes hebben om deze leerlingen op te
vangen, blijken toch nog veel ouders te worstelen met het vinden van de
juiste school voor hun kind.
Als ze die dan eindelijk gevonden hebben, begint het gevecht om een
passende vergoeding, want meestal liggen deze scholen niet naast de
deur. En omdat het veelal reguliere openbare of bijzondere scholen zijn,
is er dichterbij vaak een school van dezelfde richting, waardoor ouders
geen vergoeding ontvangen.
Bij omdenken zou anders gekeken moeten worden naar het probleem en
komt er wel een oplossing op maat?! Uiteraard dienen de scholen hier
zelf in te voorzien. Maar zo lang dit niet gebeurt, moeten we als
gemeenten een maatwerk oplossing zien te vinden waarin regeltjes
alleen niet kunnen voorzien.

Gert Plomp

In de vorige Nieuwsbrief nam ik afscheid omdat ik reglementair moest stoppen als voorzitter van de LVO; mijn termijnen van drie keer drie jaren zaten erop. Toch is dit stukje aan het begin van deze Nieuwsbrief van mijn hand, en nog steeds als voorzitter. Ik voel me net een beetje Heintje Davids. Want hoewel ik aanblijf wegens het ontbreken van een opvolger, is er veel werk te verzetten voor het bestuur en zijn er spannende en uitdagende ontwikkelingen. Dus het is geen straf om nog even aan te blijven.

Vooral op het gebied van de onderwijshuisvesting zijn er veel ontwikkelingen. We dachten dat de rol van de gemeenten bij de overheveling van het buitenonderhoud minimaal zou blijven, en veel gemeenten hebben daarop ook hun formatie aangepast.

Maar in de plaats van het buitenonderhoud komen de levensduur verlengende investeringen. Het gaat dan om de vraag of scholen in aanmerking komen voor vervangende nieuwbouw of dat er sprake is van onderhoud of renovatie. De verwachting is dat die scheidslijnen steeds vager zullen worden en dat we toegaan naar een systeem van nieuwe gezamenlijke verantwoordelijkheden voor gemeenten én schoolbesturen.

Gemeenten die bezuinigd hebben op formatie voor onderwijshuisvesting, zullen erachter komen dat de nieuwe ontwikkelingen zich ook in hun gemeenten aandienen en dat het terughalen van kennis noodzakelijk is.

En dat is de volgende uitdaging, want kennis die weg is haal je niet zomaar terug. De LVO wil graag en rol spelen bij deze nieuwe ontwikkelingen. Zij wil dat zoveel mogelijk in samenspraak met de VNG doen, omdat die de formele vertegenwoordiger is van gemeenten. Maar dan moet LVO die gemeenten wel goed (kunnen) vertegenwoordigen.

Werk genoeg dus voor het bestuur. En we kunnen nog best wat handen en denkkracht gebruiken.

INVESTEREN IN HET JONGE KIND – WAT IS WIJS?

Zo’n 30 leden van de LVO – allen betrokken bij peuterspeelzaalwerk, VVE en/of kinderopvang - kwamen op dinsdag 21 juni voor een inspirerend bijeenkomst naar de Villa Jongerius te Utrecht.

De stijlvolle Villa Jongerius - een rijksmonument met internationale allure en een exotische uitstraling – vormde een mooie en prettige omgeving voor een inspirerend samenzijn.

Eline Kolijn van Sociaal Werk Nederland (voorheen MO-groep), die het landelijk project Ondersteuning peuterspeelzaalorganisaties in het kader van de harmonisatie uitvoert, beet het spits af. Zij gaf aan wat er precies verandert, budgettair en kwalitatief. Hoewel er enerzijds sprake lijkt te zijn van een ontwikkelperspectief voor alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar, is anderzijds de kinderopvang nog steeds een instrument om de arbeidsparticipatie te stimuleren. Er zijn meer ontwikkelingen in aantocht. Klik hier voor haar presentatie. Najaar 2016 volgt er nog een regionale bijeenkomstensessie voor instellingen en gemeenten. Na haar en inhoudelijk in het verlengde ervan, gaf Elly Dekker van VNG toelichting op de huidige korte- en lange-termijn adviezen (klik hier). De VNG volgt de ontwikkelingen kritisch. Er lijkt met de budgetverschuivingen vaker sprake van een ‘sigaar uit eigen doos’. Zij plaatste de ontwikkelingen in het geheel van het gemeentelijk sociaal domein. De huidige vernieuwing lijkt een eerste stap naar een integraal stelsel voor 0-12 jarigen. Maar dat is met drie departementen aan het stuur en veel gedoe over publiek (PSZ) en Privaat (KO) nog geen gemakkelijke. Centraal staat het belang van het kind voor een goed pedagogisch klimaat en een didactische invalshoek om achterstanden vanaf twee jaar tegen te gaan. In praktijk dreigen problemen rondom de financiering (subsidiëren of aanbesteden en het voorkomen van verboden staatssteun). Met andere woorden: let goed op wat je doet en welke keuzes je maakt.

Daarover  deden Ramon Hagedoorn uit Leiden (klik hier), Gert Plomp uit Opsterland (klik hier) en Monique van Opstal uit Amsterdam (klik hier) verslag. Zoals Eline Kolijn aangaf zijn er vier mogelijke opties met nog een aantal tussenvarianten. Leiden koos in een gezamenlijk proces voor het behoud van een wijkgericht peuterspeelwerk, los van KO of onderwijs in 23 wijken vanuit één gesubsidieerde instelling. Het proces sprak de deelnemers aan en is daarom met alle openbare documenten bijgevoegd, Opsterland (plattelandsgemeente) koos voor het behoud van 12 (kleine) peuterspeelzalen in de dorpen, als onderdeel van een commerciële KO organisatie. Die ging helaas failliet. Thans wordt er weer met meerdere aanbieders kleinschalig gewerkt. Gaat het in Leiden om 23 PSZ, in Amsterdam zijn het er 300 met 30 aanbieders en een hoop ambities. Dat vraagt om een vroegtijdige ambitieuze aanpak. Daarbij staat het kind met doorlopende leerlijnen centraal.

Er is nog veel te doen rondom de harmonisatie en er zijn vele oplossingsrichtingen. Daarover organiseert de LVO met andere partners dit najaar nog een bijeenkomst. We zullen u hierover tijdig informeren.

 

 

 

De muren van mijn huis in Frankrijk bestaan uit keien. Als specie zijn leem en kalk gebruikt. Om de leem niet weg te laten spoelen door de regen is er een laag van leem, zand en kalk overheen gesmeerd. Het lijkt geen degelijke constructie, maar toch staat het huis al 100 tot 150 jaar en het zal nog wel langer staan. Maar je moet de muren dan wel regelmatig onderhouden.

Dat ondervond mijn buurman die toe was aan een nieuw dak op een deel van zijn boerderij. De muren waren zo slecht dat ze een nieuw dak niet meer zouden houden. De kosten van herstel waren hoger dan sloop, dus werd voor het laatste gekozen. De balken zijn goed voor de brandstapel en de keien en de dakpannen worden gebruikt om de weg naar de stallen te verharden en om de grootste kuilen te dichten.

In mijn beleving worden fysieke muren vaak minder goed onderhouden dan symbolische muren; dat zijn de muren waarachter je je verschanst. Muren die je optrekt om je gedachten en meningen te verdedigen. En soms is dat goed, omdat eenieder dan weet waarvoor je staat. Maar het nadeel is dat het je soms ook afsluit voor meningen en zienswijzen van anderen.

Binnen de LVO weten we waarvoor we staan, maar we proberen ook oog en oor te hebben voor wat er zoal op het gebied van onderwijs speelt. We trachten er in eerste instantie binnen de eigen gelederen, maar daarna ook met anderen een invulling aan te geven die die situatie het beste dient. Dan moet je ook wel eens door muren heen breken.

Reden hiervoor is wellicht dat belangen bij de LVO op de tweede plaats komen. Want bovenaan staan het netwerk en het gesprek. In de afgelopen negen jaar dat ik lid van het bestuur was, heb ik de werkwijze van het bestuur tenminste altijd zo ervaren.

Negen jaar is drie perioden van drie jaar, het maximum dat iemand lid kan zijn van dit bestuur. Dat betekent dat ik bij de eerstvolgende algemene ledenvergadering aftredend ben en niet meer herkiesbaar.

In de afgelopen negen jaar heeft de LVO meer gezicht gekregen. We timmeren meer aan de weg en we worden vaker betrokken bij het grote onderwijsdomein. En we mogen ons gelukkig prijzen met een gezonde financiële positie. Daarmee kan de LVO de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Deze ontwikkelingen zijn het resultaat van een intensieve samenwerking binnen het bestuur. Iedereen doet zijn ding en niemand is belangrijker dan de ander. Wat dat betreft bestaan er binnen het bestuur geen muren.

Bedankt iedereen voor de plezierige en constructieve samenwerking. Via FMH blijf ik betrokken bij de LVO. Dus, tot ziens.

Gert Plomp | voorzitter

 

Per 16 juni ga ik met pensioen. Ik sluit dan (gedeeltelijk) een 42 jarige loopbaan af, die vooral beleidsontwikkeling behelsde op het snijvlak onderwijs arbeidsmarkt, en dan met name voor die groepen burgers die het niet op eigen kracht redden. Je kijkt terug op een lang en belangrijk deel van je leven. Wat heb je hoe gedaan, welk effect heeft het gehad en wat is gelukt? En nog belangrijker, waarom is iets gelukt?

Graag geef ik jullie een drietal tips die voor mij uitgangspunt waren, maar inmiddels zo vanzelfsprekend dat ik het onbewust hanteer.

Tip 1: Denk groot maar handel klein

Ontwikkel een visie, met een vergezicht, betrek daarbij alle relevante actoren, maar maak de uitvoering daar niet van afhankelijk. Bezie met de andere partijen wat je bindt, werk van daaruit, start klein en groei naar wat groters uit. Dat is veel effectiever dan oeverloos tot overeenstemming proberen te komen, te blijven overleggen om tegenstellingen te bestrijden. Ken je grenzen en accepteer die. Later komt het wel weer goed.

Tip 2: Vertrouw op je gevoel, gebruik je eigen voorbeelden

Hier ben ik pas redelijk laat achter gekomen. In sommige processen lijkt objectief alles te gaan zoals voorzien, maar toch loopt het niet, of je blijft er een onbevredigend gevoel over hebben. Ik heb geleerd te luisteren naar dat gevoel en het bespreekbaar te maken. Dat geeft anderen ruimte te reageren en vaak klopt het gevoel. Mijn eigen (privé) ervaringen geven me energie in mijn werk. Zo hebben mijn kinderen zich positief ontwikkeld. Zij hebben de aangeboden kansen ingevuld en hebben op allerlei gebied hun plek in de samenleving gevonden. Dat gun ik elke ouder en daarom zet ik me in voor goed onderwijs. 

Tip 3: Zoek de passende regelgeving bij je plannen, verspil geen energie aan nieuwe regelgeving

Aboutaleb nodigde uitvoerders (toen hij staatsecretaris was) uit de randen van de regelgeving te zoeken. Ik bedoel en doe feitelijk hetzelfde. Weet wat je wil, zoek daar passende regelgeving en financiering bij en pas (in de uitvoering) zo nodig je voorstellen aan. Zo heb ik bijvoorbeeld projecten ontwikkeld met drie financieringsstromen, met elk hun eigen systematiek. Dat losten we op door met de uitvoerende organisatie verschillende contracten op te stellen, waarbij telkens het doel hetzelfde bleef. Kijk naar wat kan in plaats van wat ‘verboden’ is. Dan blijkt dat veel regelgeving erg veel ruimte biedt. Ik heb er lekker mee kunnen werken.  Daarom onderschrijf ik ook de conclusies van de renovatie werkgroep. Ga met elkaar praten en zorg samen voor goede (betaalbare) scholen. Verschuil je voor die oplossing niet achter het ontbreken van wetgeving. Als je met de ‘wet’ in de hand elkaar moet overtuigen is er m.i. geen vruchtbare basis voor een goede oplossing.

.

door Gert Plomp

Het is goed gebruik dat de voorzitter bij het verschijnen van de nieuwsbrief een voorwoord schrijft. Nu vind ik dat een voorwoord meer moet zijn dan alleen een toelichting op de inhoud. Maar het moet geen column worden. Hoewel de grenzen tussen een voorwoord en een column soms vaag zijn.

Het schrijven van dit stukje is geïnspireerd door wereldvrouwendag (8 maart) en de positie van de vrouw in bestuursfuncties. En dan uiteraard in het bijzonder binnen de LVO. Even voor de duidelijkheid; de LVO heeft zes bestuursleden. En het zijn allemaal mannen.

Nu ken ik vanuit mijn netwerk en vanuit mijn werk in het onderwijsveld veel capabele vrouwen. Dus het is niet zo dat er geen vrouwen voor bestuursfuncties bij de LVO te vinden zijn. Maar waarom zijn ze dan niet vertegenwoordigd in het bestuur?

Dat vrouwen zich niet zouden kunnen organiseren of dat ze liever geen bestuursfuncties zouden willen uitoefenen, kan de verklaring niet zijn. Wereldvrouwendag dankt zijn bestaan aan de eerste vrouwenstaking in 1908 waarbij vrouwen opkwamen voor hun rechten. Betekent deze afwezigheid van vrouwen soms dat de LVO de rechten van vrouwen zo goed vertegenwoordigt dat zij dit met een gerust hart aan de LVO overlaten? En dat ze daarom geen LVO-bestuursfunctie ambiëren?

Ik spreek hier te weinig over met vrouwen om de oorzaak aan te kunnen wijzen. Maar wat ik wel in mijn werk en persoonlijke leven heb geleerd is dat vrouwen vaak een andere kijk op dingen hebben. Juist het verbinden van hoe en wat mannen denken en vinden met de visie van vrouwen maakt de discussie over een onderwerp boeiender en de uitkomsten ervan evenwichtiger. Daarom deze oproep juist aan vrouwen: Meld je bij ons aan voor een bestuursfunctie.

Ik wens je weer veel leesplezier bij deze Nieuwsbrief vol actuele ontwikkelingen maar soms ook met een persoonlijke noot ertussen.

 

Gert Plomp | voorzitter

.

Let goed op jezelf en op elkaar.                                                                     door Gert Plomp

 

Vanmorgen was op het werk de nieuwjaarsbijeenkomst. De gemeentesecretaris houdt dan zijn gebruikelijke speech. Hij doet dat goed, vind ik. Hij laat blijken dat het college ziet wat er het afgelopen jaar allemaal weer tot stand is gekomen. Daar is ook de nodige waardering voor.

 

Tegelijkertijd wordt ook aangegeven dat door bezuinigingen en toename van taken het werk meer wordt terwijl het met minder mensen gedaan moet worden. Daarbij wordt dan een beroep gedaan op onze professionaliteit en onze inzet. Dus de boodschap is: ook dit jaar moeten we meer doen met minder mensen.

 

Maar, en dat vind ik dan het goede, er wordt ingezien dat de werkdruk hoog is en steeds hoger wordt. Er wordt geen vermindering van werkdruk beloofd, maar wel dat het management ermee aan de gang gaat.

 

Een zijn adviezen was: let goed op jezelf en op elkaar. Dat is het motto dat ik ook de collega’s van de LVO wil meegeven voor die nieuwe jaar. Onze maatschappij wordt nog steeds hectischer en het werk volgt de waan van de dag. Strategisch plannen wordt moeilijker door al die zaken die “even tussendoor” moeten.

 

Onze leden zijn professioneel genoeg om daarmee om te kunnen gaan. En het is aan het bestuur om de leden daarin zo goed mogelijk toe te rusten en te ondersteunen. Vandaar dat de leden ook het komende jaar weer de nodige netwerkbijeenkomsten en cursussen kunnen verwachten. Verder houden we onze leden op de hoogte van allerlei actuele ontwikkelingen.

 

Ik wens al onze leden een goed jaar toe.

 

Gert Plomp,

voorzitter

Door Hans Hoes

Zoals aangegeven in de 1 julibrief van minister Asscher zullen kinderopvang (KO) en peuterspeelzaalwerk (PSZ) uiterlijk op 1 januari 2018  onder één regime gebracht worden. Dat geldt voor de voorwaarden en voor de financiering. Dat laatste is ook uit oogpunt van fraudepreventie. De collega’s van de regio Haaglanden die peuterspeelzalen in hun portefeuille hebben werden door de MO-groep geïnformeerd over de veranderingen. Voor meer informatie lees Partners peuterspeelzalen.

Variatie in het aanbod blijft mogelijk. De vraag is alleen, uit oogpunt van kostprijs, of de PSZ van nu - waar peuters zo’n drie uur per ochtend in een gunstig pedagogisch klimaat leren spelen en ervaring opdoen met leeftijdsgenootjes - nog zal blijven bestaan. De prijs per uur van PSZ is
€ 2 hoger dan die van KO. De huidige inzet van PSZ met één professional en vrijwilligers verdwijnt. Er moeten straks per groep twee MBO-professionals werkzaam zijn met HBO-ondersteuning. In samenhang met tussen de VVE en het primair onderwijs wordt voorzien.

Tijdens de bijeenkomst werd de vrees geuit dat daarmee het pedagogische accent dreigt te verschuiven naar het didactisch. De vraag is of kinderen van twee en drie jaar gebaat zijn bij extra taallessen etc. Is het niet veel meer van belang de nadruk te leggen op contact maken, spelen, een veilige en vertrouwde omgeving bieden, samen spelen met leeftijdgenootjes, leren delen en dergelijke?  Gaan we straks twee- en driejarigen ‘toetsen’ op hun taalvorderingen en de PSZ en KO daarop afrekenen ? Veel gemeenten staan ook budgettair voor een grote verandering. Veelal worden peuterspeelzalen via welzijnssubsidies ondersteund. Dat wordt in de toekomst anders. Vele gemeenten, met Den Haag als voorbeeld, kennen een versnipperd veld met vele VVE, PSZ- en KO-instellingen.
Begin 2016 organiseert de MOgroep hierover een aantal regionale bijeenkomsten. In de vooraankondiging kunt u lezen wanneer en waar de bijeenkomsten plaatsvinden.  

Door Hans Hoes

Vanaf 1 januari 2016 treedt zowel de Wet Taaleis Participatiewet als de onderliggende algemene maatregel van bestuur (AMvB) in werking. Gemeenten zijn dan  verplicht om van bijstandsaanvragers  en - gerechtigden te vragen zich in te zetten om de Nederlandse taal op een basisniveau (A2/1F) te beheersen. Als een bijstandsgerechtigde niet aan de hand van documenten, zoals een inburgeringsdiploma of schooldiploma, kan bewijzen dat hij voldoet aan de taaleis, zal hij een taaltoets af moeten leggen. In de AMvB staan richtlijnen voor gemeenten waar de toets aan moet voldoen, zoals de op te nemen onderdelen, de wijze van beoordeling en omstandigheden waaronder de toets moet worden afgenomen

Hoe staan de gemeenten erin?
VNG bepleitte (met vele andere waaronder de LVO) invoering (als het dan toch moet) de landelijke ontwikkeling van een uniforme toets en toetsingsprocedure. Vanwege de eigen verantwoordelijkheid van de 393 gemeenten en de noodzaak van ‘maatwerk’ ging de staatssecretaris daar niet op in. Eind april heeft de Programmaraad  Stimulansz en het steunpunt volwassenen-educatie verzocht een handreiking te maken. Deze is eind september via de programmaraad en het steunpunt beschikbaar gekomen. Nog steeds bestaat er geen landelijk toetsingskader. Inmiddels zijn de gemeenten gestart met het implementeren van deze Wet, die door velen als een overbodig, onuitvoerbaar, bureaucratisch coalitie ‘moetje’ wordt beschouwd Nog steeds bestaat er geen landelijk toetsingskader. Inmiddels zijn de gemeenten gestart met het implementeren van deze Wet, die door velen als een overbodig, onuitvoerbaar, bureaucratisch coalitie ‘moetje’ wordt beschouwd. Nog steeds bestaat er geen landelijk toetsingskader. Inmiddels zijn de gemeenten gestart met het implementeren van deze Wet, die door velen als een overbodig, onuitvoerbaar, bureaucratisch coalitie ‘moetje’ wordt beschouwd. Gemeenten onder aanvoering van de G4 verzetten zich zie ook tegen de Wet taaleis. Zie het artikel in de NRC van 25 november 2015.

Landelijk test instrument ontwikkeld  
Ondertussen heeft, gestimuleerd door de G4, ICE zich ingezet om bestaande NT2 testen om zetten tot een bruikbaar testinstrument. Het voldoet niet helemaal (of helemaal niet) aan de ‘wettelijke’ criteria, maar zijn  wel een zeer bruikbaar instrument. Als de 2 onderdelen die je wel kunt meten een ‘voldoende’ resultaat geven, zijn de andere 4 onderdelen ook voldoende. In hun brochure Taaleis in de bijstand  wordt het instrumenten nader toegelicht. Afhankelijk van het te kiezen instrument zijn burgers 50 of 75 minuten aan het werk, digitaal of op papier. De beoordeling zal deels door professionals moeten geschieden. Stan Broos van het bureau ICE Zal heeft alle verdere informatie beschikbaar. Zie ook het voortgangsinstrument

Door Hans Hoes
Naast de 2.500 uitstroomprofielen in het MBO heeft de VO-raad dit voorjaar het voorstel gedaan om ook op het VO verschillende uitstroomprofielen te hanteren. Leerlingen zouden hun diploma behalen per vak op het niveau dat ze aankunnen. Iedereen een diploma, maatwerk per student. Toen mijn kinderen naar het VO gingen bestond er zo genaamd ‘dakpanonderwijs’. Middelbare Scholen met MAVO, HAVO, VWO en Gymnasium. Leerlingen konden (in het jargon) op- en afstromen. Mijn dochter (“papa, ik heb niet zo’n denk”) ging met een categoriaal MAVO advies toch naar de Middelbare School, kreeg er zin in, zag het licht  toen ze 16 was en werkt nu (gepromoveerd) in Wageningen. Diploma’s moeten m.i. (dat ben ik met de Onderwijsraad eens) een standaard kwaliteit garanderen. Dat verdraagt zich niet met een diploma op maar per leerling. Maar het onderwijssysteem, zou (zowel in het VO als in het MBO) de mogelijkheid van op- en afstroom met diplomakans moeten bieden. Zo heb ik veel liever een MBO opleiding met 100 uitstroomprofielen (verdeeld over 4 niveaus) waarbij er tussen die niveaus aansluiting (zoals bij dakpannen!) is. Zakken op niveau 4, maar wel slagen op niveau 3 of 2.  Dat vind ik een veel innovatiever (hoewel het oud is) dan sjoemelen met de diploma’s. M.i. zit er naast de curriculumproblemen (het programma tussen de verschillende niveaus van dezelfde opleiding verschilt nogal) ook budgettaire regels die in het MBO ‘opbloeien’ verbieden. Volgens de nieuwe regelgeving moeten leerlingen in een beperkte periode op hun niveau het diploma behalen en mogen dan niet doorgaan op een ander niveau. Hoewel begrijpelijk uit oogpunt van kostenbeheersing, staat dit in schril contrast met de ontwikkeling van Nederland als ‘kenniseconomie’ met hoog geschoolde inwoners. Ik was in staat mijn kinderen optimaal te ondersteunen bij het behalen van hun diploma’s richting arbeidsmarkt en dat heeft hen geen windeieren gelegd. Nederland zou zich net zo moeten opstellen en jongeren optimale kansen bieden zich te ontwikkelen en ontplooien. Dat verdien je terug.

Door Hans Hoes                                
Terwijl de Algemene Rekenkamer onderzoek doet naar de effecten (doelmatigheid, rechtmatigheid en doeltreffendheid) van de volwasseneneducatie, neemt de nieuwe BV afscheid door een toolkit van succesvolle instrumenten te presenteren voor leerprocessen om kwetsbare te bereiken. Vorige week had ik een interview bij de Algemene Rekenkamer. Voor de verantwoording van 2015 (3de woensdag van mei in 2016) wordt de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de volwasseneneducatie onderzocht.  Wordt de laaggeletterdheid wel effectief bestreden, worden de ‘juiste’ doelgroepen wel bereikt etc. Een dossier waarin ik (wisselend) 20 jaar in verschillende regio’s betrokken ben. Ook een dossier waarbij m.i. meer ruimte moet worden gelaten aan gemeenten en uitvoeringsorganisaties om leertrajecten voor kwetsbare burgers op te zetten. Zeker in de ‘participatiesamenleving’ moet iedereen meedoen, voor zichzelf en zijn omgeving opkomen, zelfredzaam zijn en zijn eigen kracht leren kennen en gebruiken. Meer ruimte vraagt om minder regels, minder controle en meer vertrouwen. Zeker als je de afname van het budget de afgelopen jaren beziet (van € 375 naar € 55 miljoen)  past enige bescheidenheid van de wetgever.

Dan heb ik veel meer aan de toolkit die de DNBV (= de nieuwe beraadsgroep vorming) heeft samengesteld. Het ministerie van BKZ heeft (omdat ze zich sterk wil maken voor de ‘doe-democratie’) het project “vertrekken vanuit vertrouwen” van DNBV gefinancierd.  Als sluitstuk daarvan wordt op 3 december bij BKZ de ‘toolkit’ gepresenteerd.  De toolkit is een praktische handleiding, die op basis van good practices en onderzoek is samengesteld voor professionals om succesvolle leertrajecten voor kwetsbare burgers (zoals migranten, ouderen, laaggeletterden, laagopgeleiden, enz.) op te kunnen zetten. Daarom ben ik 3 december op het ministerie in Den Haag. Iets voor u ? Lees de uitnodiging en meld u aan. Tot ziens bij BKZ.

Door Hans Hoes

De pers besteedt de laatste maanden meer aandacht aan dit thema. In het kabinetsplan ‘een betere basis voor peuters’ worden de verschillen tussen peuterspeelzalen en kinderopvang weggenomen om zo te zorgen voor een betere afstemming tussen kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en onderwijs.


Het uiteindelijke doel lijkt de afstemming van de voorschoolse voorzieningen met het onderwijs. De harmonisatie van voorschoolse voorzieningen berust op drie pijlers: het versterken van het pedagogische klimaat, één kwaliteitskader voor peuterspeelzalen en kinderopvang en één financieringsstructuur voor deze werksoorten. Daarmee wordt ook een betere aansluiting tussen de voorschoolse voorzieningen en het basisonderwijs beoogd. Bedoeling is de transitie per 01-01-2018 te effectueren. Dat betekent een behoorlijke aanpassing van het huidige gemeentelijke beleid ten aanzien van het peuterspeelzaalwerk. Met name  de handhaving van de kwaliteit verdient aandacht, maar zeker ook de financiering van de VVE en de kosten per kind/groep bij gelijkschakeling van de kwaliteit van beide voorzieningen.
De gemeenten hebben nog even tijd voor de noodzakelijke aanpassingen en zitten bovendien (waarschijnlijk) verschillend in dit proces. Het vraagt om een nauwe afstemming tussen de onderwijs- afdeling (VVE) en het peuterspeelzaalwerk, dat vaak nog onderdeel is van de afdeling welzijn of maatschappelijke dienstverlening. Welke plek krijgt deze ontwikkeling in het onderwijs- en jeugdbeleid? Hoe past dit in de ontwikkeling van Brede Scholen en Integrale Kindcentra?

De LVO is voornemens over dit thema volgend jaar een aantal regionale bijeenkomsten op te zetten. Welke leden kennen goede voorbeelden en willen meedoen aan de opzet en voorbereiding van deze bijeenkomsten?  Neem contact op met  hhoes@ismh.nl.

Door Gert Plomp, voorzitter LVO

De afgelopen tijd had ik een paar uitzonderlijke ontmoetingen.

De eerste was met drie paarden in Frankrijk. Mijn vrouw en ik waren naar een concert geweest en daarna nog even bij kennissen wat blijven napraten. Tijdens dat napraten was er een hevige onweersbui losgebarsten. Na het onweer reden we midden in de nacht naar huis. En toen stonden daar midden op de weg een merrie met een veulen en een pony. We konden er niet langs met de auto en dus stapte ik uit en begon tegen de paarden te praten dat ze in de weg stonden.

Toen ik begon te lopen volgden de paarden mij met de grootste vlak achter mij aan. Uiteindelijk wist ik de paarden op een stukje bouwland te krijgen en konden we er met de auto langs. Het aparte vond ik dat die paarden mij als wildvreemde zo maar volgden.

 

De tweede ontmoeting was met besturen en veel meer gerelateerd aan de LVO. We zijn niet het enige bestuur binnen het sociaal domein dat op zoek is naar manieren om de leden beter te bereiken; op andere manieren te werken. Wel zijn we met zijn allen eens dat het roer om moet. Niet meer alles volgens de regels maar meer op het individu gericht. En dan komen de verhalen los over hoe men in de eigen werkkring bepaalde problemen heeft opgelost. Mooie en inspirerende verhalen waarmee je zelf ook weer verder kunt.

Maar de conclusie is dat het nu nog verhalen zijn vanuit de eigen werkpraktijk en niet vanuit de verenigingspraktijk. Die slag moeten we nog maken. En dat is veel lastiger dan voor een burger of voor een school regels net even anders in te vullen.

Toch lijkt het wel uitdagend en passend binnen de LVO om naar onze leden handvatten aan te reiken waarbij het om een ander soort werken gaat. Maar daarvoor hebben we ook de leden nodig. Hebt u ideeën; we houden ons aanbevolen.

Door Hans Hoes
Op 19 juni j.l. tijdens de landelijke ‘kick-off’ van het actieprogramma Tel mee met taal  is de tijdelijke stimuleringsregeling taal voor werknemers bekendgemaakt. Tot 14 september kunnen werkgevers die een taaltrajecten voor hun werknemers willen opzetten een subsidieaanvraag indienen.  Er is € 1.800 per werknemer beschikbaar, met een maximum van € 25.000 per organisatie / bedrijf. De eigen bijdrage van de werkgever dient een derde te zijn, met een minimum van € 3.600. Het totale budget van deze regeling is € 250.000. Bedoeling is de ervaringen van deze stimuleringsregeling te gebruiken voor een regeling in de komende drie jaar, waarvoor dan zo’n € 2 miljoen per jaar beschikbaar komt.  Alle informatie vindt u op deze website
Tot vandaag zijn er al drie aanvragen met een totaalbedrag van € 50.078 ingediend. Zeker in de week van de alfabetisering is een subsidieaanvraag dus kansrijk.

Waarom deze stimuleringsregeling taal voor werknemers?
Met de nieuwe stimuleringsregeling kunnen werkgevers geld aanvragen voor scholing van hun medewerkers die moeite hebben met lezen en schrijven. Deze werknemers zijn in veel gevallen minder productief, vaker ziek, werken minder veilig en hebben meer risico werkloos te raken.

Met de regeling stimuleert het rijk werkgevers om de lees- en schrijfvaardigheden van werknemers te verbeteren. Eventueel in combinatie met andere basisvaardigheden zoals rekenen, digitale vaardigheden en luisteren en spreken. In Nederland hebben 1,3 miljoen mensen tussen de 16 en 65 jaar moeite met lezen en schrijven. Naar schatting heeft de helft van deze groep mensen een baan.
Als werknemers beter kunnen lezen en schrijven, zijn zij bijvoorbeeld minder afhankelijk van collega’s, kunnen zij zelfstandiger werken en zijn zij productiever. Dat komt omdat ze werkinstructies beter kunnen lezen en begrijpen. Ook levert het een lager ziekteverzuim op: geletterde werknemers ervaren minder stress op de werkvloer omdat ze zelfredzamer zijn en kunnen hun eigen gezondheid beter regelen.

Indienen aanvraag voor bijdrage taalscholing werknemers
Werkgevers kunnen bij Stichting Lezen & Schrijven een aanvraag indienen voor een bijdrage voor taaltrajecten voor hun werknemers. Op de website staat hoe de regeling precies werkt en hoe  een aanvraag kan worden ingediend. De essentie is dat bedrijven een taalaanbieder zoeken ( een ROC, een taalaanbieder aangesloten bij NRTO of een andere taalaanbieder met een onderwijsbevoegd-heid) die voor werknemers die baat hebben bij taal-, reken- of ICT verbetering een scholingsplan met offerte maakt. Dat wordt ingediend bij de Stichting Lezen & Schrijven. Na goedkeuring beslist de werkgever of het plan wordt uitgevoerd. Het dient in 2015 te starten en vóór 1 juli 2016 te zijn afgerond.

Belang gemeente bij taalscholing werknemers                                                                                                                   Uit onderzoek blijkt (zie boven) dat werknemers met gebrekkige taal- en rekenkennis een zwakkere positie op de arbeidsmarkt hebben. Indien zij werkloos worden is het voor hen nog moeilijker een nieuwe passende werkplek te vinden. Bovendien is voor hen vanaf 1 januari 2016 de Wet taaleis van toepassing. Dat betekent dat zij dan verplicht zijn hun taalvaardigheden op tenminste niveau 1F te brengen. Het lijkt veel nuttiger dat te doen vanuit de werksituatie dan vanuit een uitkeringssituatie. In de week van de alfabetisering zijn vele contacten tussen de gemeentelijke overheid en ondernemers. Ik beveel u aan dit thema daar bespreekbaar te maken en misschien wel een gemeentelijke tegemoetkoming in het vooruitzicht te stellen.  De stimuleringsregeling is erg duidelijk en overzichtelijk. ROC’s en taalaanbieders kunnen snel op de vraag van de ondernemer inspelen.

Hans Hoes is beleidsadviseur in het sociale domein, vooral bij de overheid.
hanshoes@online.nl

Door Hans Hoes
Van 7 tot en met 13 september is de landelijke Week van de Alfabetisering. Voor meer informatie hierover zie www.tijdvoortaal.nl.
Herkent u dit? Uw cliënt of medewerker heeft last van obesitas, schulden of eenzaamheid en het lukt maar niet om dit op te lossen. De oorzaak en de oplossing kunnen wel eens heel ergens anders liggen…
Eén op de negen volwassenen in Nederland is laaggeletterd. Zij hebben moeite met het lezen van etiketten in de supermarkt. Net als moeite met het begrijpen van brieven, het versturen van e-mails en het reizen met het openbaar vervoer. Hun wereld wordt hierdoor kleiner en kleiner en hun problemen worden niet opgelost.
Als start van de Week van de alfabetisering gaat heel Nederland op 9 september op verkenning. Bent u bijvoorbeeld lid van een wijkteam, werkt u bij de sociale dienst, bij de schuldhulpverlening of in de zorg? Doe dan zeker mee! Als u meedoet, ontvangt u een instrument dat speciaal voor dit doel is ontwikkeld: de Taalverkenner. Met deze Taalverkenner bent u in staat een laaggeletterde in drie minuten te herkennen en te verwijzen naar een geschikte cursus. Deze cursus zet taal in als middel om de problemen te lijf te gaan. Het instrument is helemaal gratis en elke regio in Nederland krijgt een speciale versie, dus de hulp is altijd dichtbij.
De Taalverkenner lijkt me een goed instrument voor consulenten in de sociale zekerheid en/of van wijkteams. In heel Nederland wordt (met het Educatiebudget) véél taal- en rekencursussen, inclusief alfabetisering, aangeboden. Vraag daarom de Taalverkenner aan en registreer welke cliënten/burgers baat hebben bij en openstaan voor verbetering van hun taal-, reken- en ICT-vaardigheden. Vraag uw onderwijs collega hoe de volwasseneneducatie in uw regio georganiseerd is. Eind augustus is de Taalverkenner beschikbaar. Klik hier voor het aanvragen en voor meer informatie
Door Hans Hoes
In mijn Blog van januari hield ik een pleidooi om vanuit onderwijs de verbinding met de arbeidsmarkt
(de werkbedrijven, arbeidsmarktregio’s of regionale platforms arbeidsmarktbeleid) te zoeken. Zelfs als het nog geen wettelijke plicht is. Dat was één van de aanbevelingen uit de brief van minister Bussemaker van OCW van 12-12-2014. Bij de uitwerking van die brief in regelgeving wordt dit aspect verder uitgewerkt. Vermoedelijk zullen de RMC regio’s in 2016 een beleidsplan/convenant op moeten stellen waarin het voorkomen van voortijdig schoolverlaters, het extra faciliteren van jongeren in een kwetsbare positie en gezamenlijk LOB beleid een plek krijgen. Het beleidsplan zou getekend dienen te worden door o.a. het RMC, arbeidsmarktregio, Contactschool namens alle VO en MBO instellingen, VO samenwerkingsverband etc.
Het rapport Buitenspel, de uitvoering voor jongeren in de WW of bijstand door de inspectie SZW komt in een aanbevelingen naar de gemeente tot dezelfde conclusie. Allereerst wordt persoonlijke aandacht voor de jongere gevraagd, als het meest gewenste en effectieve gedrag van gemeenten en UWV. Vervolgens wordt het belang van integrale dienstverlening en ketensamenwerking onderstreept. Daaruit vloeit voort de aanbeveling aan de gemeenten om nadrukkelijker dan thans geschiedt de samenwerking met onderwijs- welzijn- en zorginstellingen op te zoeken. Dat vergroot de kansen op de arbeidsmarkt van betrokken jongeren. Daarmee wordt voorkomen dat eerdere ‘mislukkingen’ nogmaals uitgeprobeerd worden of dat instellingen en organisaties tegen elkaar uitgespeeld worden.
Wat let u om elkaar te zoeken ?
23 juli 2015
Hans Hoes
 
Door Hans Hoes
Op 2 juni is in Staatsblad 195 het Besluit taaltoets Participatiewet gepubliceerd. Het besluit gaat in op de toetsonderdelen, de toetsingswijze, de beoordeling, de kwalificatie van de toetsbeoordelaar en de toetsomstandigheden. Als de gemeenten (wellicht onder aanvoering van de VNG) elkaar niet weten te vinden ontstaat er vanaf januari 2016 een woud aan ‘taaltoetsen’ en overbureaucratisering om een (volgens velen) overbodige wet in werking te zetten. De Landelijke Vereniging van Onderwijsadviseurs doet daarom een dringend beroep op de G4, de G32, de VNG en de programmaraad om landelijk te kiezen voor één taaltoets en één procedure. Als de G4 en de G 32 daartoe zouden besluiten, is het grootste gedeelte van de doelgroep al bereikt, worden de kosten om het instrumentarium te maken beperkt en hebben we landelijk één taaltoets.
Wet Taaleis Participatiewet
Waar gaat het over?
De wet legt bij gemeenten de plicht op te onderzoeken of het taalniveau van aanvragers op grond van de Participatiewet tenminste het niveau 1F heeft. Dat komt overeen (maar is niet hetzelfde) met niveau A2 van de Wet inburgering. Zo niet dan worden betrokkenen verplicht binnen één maand een cursus te gaan volgen om zich bij te scholen (voor eigen rekening of op kosten van de gemeente), anders wordt de uitkering gekort. Uitgezonderd worden de burgers die 8 jaar onderwijs in Nederland gevolgd hebben, zij die een inburgeringsdiploma behaald hebben, alsmede zij die aantoonbaar niet in staat zijn het vereiste taalniveau te leren.
De gemeente dient regelmatig de vorderingen van betrokkene te volgen en daarop te sanctioneren.
In de nota naar aanleiding van het verslag is te lezen hoe groot de doelgroep zal zijn. Hoewel verwacht wordt dat (via sanctie en uitstroom) dat het aantal uitkeringen maar met 400 zal dalen, zal de wet zo’n 75.000 personen van het zittende bestand op traject zetten, waarvan 1/3 migranten en de rest autochtonen. Het wetsontwerp is volgens veel gemeenten overbodig. De huidige artikelen 9, 18 en 55 van de WWB bieden genoeg mogelijkheden om WWB gerechtigden aan te zetten hun taalniveau te verbeteren. Volgens globale berekeningen zullen landelijk de scholings- en controlekosten van deze groep (nieuw en oud bestand) ruim € 200 miljoen bedragen. Naast een dergelijk bedrag aan eenmalige kosten zullen de jaarlijks terugkomende kosten bij € 70 miljoen bedragen. In het wetsontwerp is niet in de bekostiging daarvan voorzien. Amandementen om daaraan bij te dragen zijn afgestemd.
Plan van aanpak
De VNG bepleitte (met vele anderen, waaronder de LVO) invoering (als het dan toch moet) de landelijke ontwikkeling van een uniforme toets en toetsingsprocedure. Vanwege de eigen verantwoordelijkheid van de 393 gemeenten en de noodzaak van ‘maatwerk’ ging de staatssecretaris daar niet op in. Eind april heeft de Programmaraad Stimulansz en het steunpunt volwasseneneducatie verzocht een handreiking te maken. Deze zal vermoedelijk na de zomervakantie beschikbaar zijn.
Óf en zo ja in hoeverre de landelijke taaltoets daarin wordt geadviseerd is nog niet bekend.
Hans Hoes is adviseur in het sociaal domein (aansluiting onderwijs, arbeidsmarkt en zorg), werkzaam bij de LVO en de regio Midden-Holland
hanshoes@online.nl
In het bestuurlijk overleg met de VNG heeft Staatsecretaris Klijnsma van Szw toegezegd dat de invoering van de Wet Taaleis Participatiewet zal plaatsvinden per 1 januari 2016. Het kabinet was voornemens de wet per 1 juli 2015 in te voeren. Nu de AmvB Taaltoets nog voor advies bij de Raad van State is, is de voorbereidingstijd voor gemeenten om die termijn te halen te krap. Op 30 april j.l. zijn afspraken gemaakt met het Steunpunt VE en Stimulansz om een handreiking ter ondersteuning van de invoering te maken.

Op 17 maart 2015 vond de stemming over het wetsvoorstel Taaleis in de Participatiewet in de Eerste Kamer plaats. De wet is aangenomen. De Motie Strik (die vroeg om een extra uitvoeringsbudget) is afgewezen.
Burgers die aanspraak maken op de WWB moeten tenminste een basale kennis van de Nederlandse taal bezitten. Dan hebben ze meer kans op betaalde arbeid. Omdat dit wetsontwerp onderdeel is van het regeerakkoord, kun je ervan uitgaan dat de Sociale Diensten vanaf 2016 ook de taalvaardigheid van WWB-gerechtigden dienen te onderzoeken. Vanaf de invoeringsdatum moeten nieuwe aanvragers op het taalniveau gecontroleerd en gesanctioneerd worden, zes maanden later ook het zittende bestand. Waar hebben we het over en hoe kan dat worden aangepakt?

Wet Taaleis Participatiewet
De wet legt gemeenten de plicht op te onderzoeken of het taalniveau van WWB-aanvragers tenminste het niveau 1F heeft. Dat komt overeen met (maar is niet hetzelfde als) niveau A2 van de Wet inburgering. Zo niet dan worden betrokkenen verplicht binnen één maand een cursus te volgen om zich bij te scholen (voor eigen rekening of op kosten van de gemeente), anders wordt de uitkering gekort. Een uitzondering geldt voor burgers die acht jaar onderwijs in Nederland hebben gevolgd, zij die een inburgeringsdiploma behaald hebben, alsmede zij die aantoonbaar niet in staat zijn het vereiste taalniveau te leren. De gemeente dient regelmatig de vorderingen van betrokkene te volgen en daarop te sanctioneren.
In de nota naar aanleiding van het verslag is te lezen hoe groot de doelgroep zal zijn. Hoewel verwacht wordt dat (via sanctie en uitstroom) het aantal uitkeringen maar met 400 zal dalen, zal de wet zo’n 75.000 personen van het zittende bestand op traject zetten, waarvan 1/3 migranten en de rest autochtonen. Het wetsontwerp is volgens veel gemeenten overbodig. De huidige artikelen 9, 18 en 55 van de WWB bieden genoeg mogelijkheden om WWB-gerechtigden aan te zetten hun taalniveau te verbeteren. Volgens globale berekeningen zullen landelijk de scholings- en controlekosten van deze groep (nieuw en oud bestand) ruim € 200 miljoen bedragen. Naast een dergelijk bedrag aan eenmalige kosten zullen de jaarlijks terugkomende kosten € 70 miljoen bedragen. In het wetsontwerp is niet in de bekostiging daarvan voorzien.
 
Plan van aanpak:
De VNG bepleitte invoering (als het dan toch moet) vanaf 2016, alsmede de landelijke ontwikkeling van een uniforme toets en toetsingsprocedure. Eind januari heeft ze de Staatssecretaris verzocht tenminste een handreiking te laten maken door de gemeenten is samenwerking met Stimulansz en het Steunpunt Volwasseneneducatie. Dat lijkt nu (via de programmaraad) toch nog van de grond te komen.
Hans Hoes

 Met  het symposium Talentvol opgroeien in een Vensterschool, Brede school of IKC sloot de gemeente Groningen op 4 juni j.l. het jaar af waarin zij Onderwijsstad van Nederland was. Een inspirerende bijeenkomst, die de deelnemers energie geeft om nog meer te investeren in goed onderwijs. Ook werd het belang getoond van een goede samenwerking en afstemming tussen school en NSO, via het concept van een vensterschool, brede school of IKC. Niet alleen de boeiende betogen met de ervaringen van Groningen, Amsterdam en Eindhoven bevestigden dat. Vooral de blije gezichten van de leerlingen die op de bühne lieten zien wat ze op school (tijdens en na de les) op een breed gebied leren overtuigen de noodzaak te investeren in samenhang en samenwerking tussen onderwijs, voorschoolse- en naschoolse opvang etc. Zoals wethouder Ton Schroor opmerkte: ‘Als gemeente bemoeien we ons niet met de inhoud, we brengen de verschillende groepen bijeen, stimuleren de samenwerking in het onderwijs c.a. met wat budget, we faciliteren, want wij gaan voor een goed opgeleide bevolking, dat betaalt zich altijd terug.’ Daarom is Groningen ook gestart met de Nederlandse versie van het succesvolle programma, gericht op de preventie van taalachterstanden “succes for all”. Een programma dat in meer dan 1000 scholen in Amerika en 100 scholen in Engeland zijn waarde bewezen heeft.

In het schooljaar 2015-2016 neemt Dordrecht het stokje over. Het thema van de Nationale Onderwijsweek (van 5 tot 9 oktober) is Meer dan School . Daarmee wordt uitgedragen dat leren vanzelfsprekend ook plaats vindt buiten de school en bijdraagt aan de ontwikkeling van kind tot volwassen burger. Voor meer informatie zie ook: www.nationaleonderwijsweek.nl.

De komende maanden gaan vele jongeren die afstuderen aan het VMBO, HAVO/VWO (en vaak ook hun ouders) zich oriënteren op een vervolgopleiding. Voor het HBO en WO moet men zich al inschrijven vóór 1 mei. Steeds meer MBO-instellingen vragen studenten zich zo vroeg mogelijk in te schrijven. Niet alleen zijn er dan nog voldoende keuzemogelijkheden, het voorkomt ook een hausse aan inschrijvingen in september. Kortom het is nu de tijd daarmee bezig te zijn.
Maar wat ga je doen na je diploma? Weet je al in welke richting je verder wilt studeren, wat kan je waar studeren en wat zijn de reële arbeidsmarktkansen in de regio waar je woont of wilt gaan werken? Om dit soort vragen te beantwoorden heeft Stimulansz in 2013 de website www.studieperspectief.nl ontwikkeld. Op een erg eenvoudige manier kun je met een paar klikken kijken welke opleidingen er in je regio zijn en zie je hoe groot de kans 
op werk is in het vakgebied van je keuze. Voor het maken van een studiekeuze is het altijd van belang om je zo breed mogelijk te oriënteren. Op deze website krijg je een duidelijk beeld van de actuele kansen op de arbeidsmarkt. 
Bedenk dat het langere termijn perspectief natuurlijk van invloed is op je kans op werk na het behalen van een diploma. Om je zo goed mogelijk te oriënteren op welke kansen een bepaalde opleiding biedt op de arbeidsmarkt, zijn er naast deze website meerdere instrumenten beschikbaar. De informatie op www.studieperspectief.nl is met zorg samengesteld, op basis van de arbeidsmarktgegevens van UWV en de openbare onderwijsdata van DUO. In de toelichting bij de verschillende indicatoren staat helder uitgewerkt hoe deze scores tot stand zijn gekomen.
Kortom, een must voor jongeren (en hun ouders) en voor decanen en mentoren op school, leerplichtambtenaren en andere professionals die betrokken zijn bij de overgang van leren, via doorleren naar werken. Maar ook voor consulenten in de sociale zekerheid (Bijstand en WW) is dit een zeer nuttig instrument om burgers te laten zoeken naar en hen te overtuigen van het arbeidsperspectief van een nieuwe job. Zie ook: www.studieperspectief.nl/.
Debat of dialoog
De 3de dinsdag van januari is uitgeroepen tot de landelijke Big improvement dag van de werkgevers, met dit jaar als thema ‘samenwerken en vertrouwen’. Dan denk ik terug aan de bijeenkomst bij de MBO-raad van de vrijdag ervoor. Gemeenten en MBO-instellingen (in de verhouding 1:2) kwamen bijeen voor de verzuimaanpak 18+ (we missen je).

Beide vervullen een belangrijke rol, hoe kunnen ze elkaar aanvullen en versterken? Wat hebben we elkaar (in dat kader) van elkaar te vragen en wat hebben we te bieden? Na de lunch werd aan de hand van een paar stellingen gedebatteerd. Doel was om de ‘tegenstanders’ (de overkant van de zaal) met hun argumenten te bestoken. Want debatteren doe je om te winnen.
Dapper meegedaan en met een dubbel gevoel ook nog uitgeroepen tot de beste debater van de dag.

“Debatteren om te winnen” is misschien wel leuk en het maakt helder waar de verschillen zitten, maar het is m.i. minder effectief als het gaat om verbindingen te leggen tussen verschillende organisaties om samen te werken aan de oplossing van een probleem.
Dan gaat het erom inzicht te krijgen in de drijfveren en achtergrond van de andere partij en bezien of jij vanuit jouw organisatie kan meewerken/bijdragen om dat te tackelen, in het kader van het gezamenlijke doel. Tenminste, zo werkt het bij mij.
 
Zo heb ik de afgelopen 20 jaar gewerkt: in Limburg het eerst SWI (= voorloper van het CWI!) opgezet met Gak en de 4 andere UVI.s het Arbeidsbureau en 7 Zuid-Limburgse gemeenten; In Gouda het CWI opgezet en in 2006 (toen het UWV in de problemen zat) tussen CWI, Gemeente en UWV de “toonkamer” opgezet. We boden allemaal dezelfde dienstverlening aan iedereen, gebruikten elkaars trajecten en budgetten en verrekenden achteraf. Want we werkten samen en vertrouwden elkaar!

De huidige verzuimaanpak 18+ pak ik op dezelfde manier aan. Wat verbind je, waar zitten de problemen en wat kan ik doen om die te verlichten. Dat is eigenlijk alles, ruimte geven en meedenken.

Dat is wat anders dan debatteren om te winnen.

Hans Hoes

 

De laatste maanden van 2014 heeft het ministerie van OCW een groot aantal beleidstukken gepubliceerd. In haar brief van 12 december 2014 schetst minister Bussemaker aan de hand van vele praktijkvoorbeelden haar inzet om met name de aansluiting tussen VSO en Praktijkscholen met het MBO en werk te verbeteren. 
In de pers is vooral geschreven over verhoging van kansen voor deze jongeren door extra inzet van de zogenaamde regionale meld- en coördinatiepunten (RMC). Deze zijn gericht op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Maar de minister doet meer suggesties. Lees de blog van Hans Hoes.
 

 

Door Hans Hoes          

Zo’n 15 jaar geleden hoorde ik ervan. Mijn neef was trainee bij de ENCI en volgde een tweejarig traject langs diverse afdelingen, voordat hij definitief geplaatst werd. Ruim 10 jaar terug introduceerde ik dat instrument bij mijn werkgever, een gemeente die diversiteit wilde invoeren in het midden- en hoger kader van zijn personeel. Recent sprak ik Lisanne van Ruiten, die begin september als Trainee van het Rijkstraineeprogramma bij het ministerie van OCW gestart is. Een collega bestuurslid van de LVO bleek in Den Haag mentor van één van de trainees te zijn. Wat is het ? Hoe werkt het en kan dat instrument een bijdrage leveren aan het terugdringen van de werkloosheid van hoger opgeleiden? 

Trainee, wat is het?
Het Rijk, vele gemeenten, de VNG maar ook vele grotere bedrijven ( zoals Siemens, KPN, Nationale Nederlanden, ABNAMRO en Aegon) kennen ‘trainees’. Afgestudeerde HBO- of WO studenten doen binnen de organisatie waar ze zijn aangesteld in een periode van 2 jaar op 4 of 5 verschillende plekken werkervaring op. Zij worden daarin door een mentor begeleid. Daarnaast volgen ze vaak een ‘traineeprogramma’ van één of twee dagen per /weekmaand, dat de organisatie hen aanbiedt. Na afloop van de periode hebben ze brede ervaring opgedaan en krijgen óf aansluitend een vast dienstverband óf kunnen intern solliciteren op vrijkomende posten. Er is veel belangstelling voor. Het Rijkstraineeprogramma neemt jaarlijks zo’n 100 trainees aan voor alle departementen, maar er melden zich zo’n 3000 kandidaten. De gemeente Den Haag plaatst jaarlijks 24 personen uit de 1000 gegadigden!

Trainee, waarom wil je het?
Lisanne van Ruiten is een ambitieuze young professional (internationale volksgezondheid).

“Jaren geleden hoorde ik van het Rijkstraineeprogramma en toen ik afgestudeerd was, heb ik erop gesolliciteerd. Onder studenten is het echt een begrip. Veel jongeren die net afgestudeerd zijn willen, zoals ik, graag nog verder leren en het Rijkstraineeprogramma biedt hier een goede kans voor!"

Als Rijkstrainee heb ik in het eerste jaar per maand ongeveer 2 dagen per maand cursus met alle Rijkstrainees. Gedurende deze algemene modules leren we van alles over de Rijksoverheid in de breedste zin van het woord en oefenen we bijvoorbeeld schrijf en presentatievaardigheden. Ook is er in het programma aandacht voor persoonlijke vaardigheden. Daarnaast krijg je de mogelijkheid om je te verdiepen in onderwerpen naar keuze door middel van zelfstudie en keuzemodules. Naast het programma met alle Rijkstrainees hebben we ook binnen OCW een apart programma, hier hebben wij als trainees de mogelijkheid om te kijken waar wij extra behoefte aan hebben, dit kan als groepsverband, maar ook individueel. Tot slot is er vanuit de Rijkstraineecoördinator op OCW maar ook op de verschillende werkplekken veel aandacht voor je ontwikkelpunten, waar ben je al goed in en wat wil je nog verbeteren? Zo ga ik me de komende jaren tot een allround medewerker ontwikkelen.

De onderwerpen waaraan ik werk ( o.a. Passend Onderwijs) zijn erg actueel; in het nieuws, in de Tweede Kamer en in het werkveld. Dit maakt het harstikke interessant en inspirerend om hiermee bezig te zijn. Het leukste vind ik dat geen elke dag hetzelfde is en dat er ruimte is om met mensen uit het werkveld in gesprek te gaan”

Inrichting Traineeprogramma
Het Haagse traineeprogramma kent een vergelijkbare opzet.

Er zijn 2 traineeprogramma’s: WO Master en HBO Bachelor. Beide programma’s zijn bedoeld voor jonge talenten, die een loopbaan ambiëren als (beleids)adviseur, projectleider of manager binnen de gemeente Den Haag. In het traineeprogramma worden ze opgeleid tot professionals door:

  • een stevig persoonlijk effectiviteitsprogramma
  • ze werkervaring in de organisatie op te laten doen binnen twee functies en twee diensten
  • ze inzicht te bieden in het reilen en zeilen binnen de organisatie
  • ze te faciliteren in het opbouwen van een breed netwerk, ook buiten de twee traineeplekken
  • ze te laten ontdekken waar hun kracht ligt op werkgebied.

Tijdens het tweejarig traineeprogramma houden de trainees zich, naast het uitoefenen van hun functie, gemiddeld 8 uur in de week bezig met diverse onderdelen:

  • Gemeentebrede projecten
  • Netwerkactiviteiten zoals het kennismaken met directeuren en wethouders
  • Het organiseren van praktijkdagen. Zie de blogs op www.denhaag.nl/trainees
  • Persoonlijk effectiviteitsprogramma
  • Trainingen over interactieve beleidsvorming, politiek-bestuurlijke sensitiviteit, de gemeentewet en gemeentefinanciën

Den Haag verbreedt dit programma d.m.v. een tweetal samenwerkingsverbanden. Enerzijds Het bevorderen van de samenwerking tussen trainees van diverse overheden met als doel het functioneren van het openbaar bestuur als geheel verder te ontwikkelen. Dat is:

 http://www.interbestuurlijketrainees.nl  Anderzijds is in 2012 een tweejarig proefproject gestart voor wo-trainees, in samenwerking met trainees van andere organisaties: The Hague Experience (THEX). Dit is een netwerk- en kennisprogramma voor trainees van verschillende grote werkgevers in Den Haag. Zie ook: http://www.thehagueexperience.nl

Trainee als opstap en verbreding van je loopbaan
Een traineeprogramma kan op diverse wijzen, vooral ook in studentensteden een bijdrage leveren aan de werkgelegenheid voor afgestudeerde HBO- en WO- Studenten. Er is veel belangstelstelling voor, dus lang niet iedere aanmelding leidt tot succes. Naast Rijkstraineeprogramma, zie www.wewrkenvoornederland.nl/starters/het-rijkstraineeprogramma en de traineeprogramma’s van de grote gemeenten, zoals Den Haag (www.denhaag.nl/trainees) kent de VNG ook een traineeprogramma, waarin ze trainees detacheert bij gemeenten. Zie hiervoor www.vnggemeentetrainee.nl. Op die wijze kan de werknemer investeren in zijn toekomst. Maar het biedt ook uitstekende kansen voor de gemeenten met een vergrijzend personeelsbestand om te werken aan vernieuwing. Naast de overheid zijn er vele bedrijven die traineeprogramma’s kennen. Velen werken, wat betreft werving en promotie samen bij voorbeeld via www.traineeschapplaza.nl

Als casemanager bij de gemeente of het UWV is dit één van de instrumenten om aan te denken bij het vinden van baanopeningen voor jonge afgestudeerden.

Maar ook de goede personeelsfunctionaris die zoekt naar een juiste balans tussen ouderen en jongeren, ervaring en vernieuwing, zou op dit instrument moeten inzoemen.

Waar vroeger met de cursus “pensioen in zicht” ouderen zich voorbereiden op het pensioen, roept Gilde Nederland hen tegenwoordig op actief te blijven. Ook het onderwijs kan extra handjes gebruiken. Scholen doen steeds vaker een beroep op “voorleesoma’s”, of “ bibliotheekoma’s”, nu de beide ouders full-time werken.

Techniekopa
Zelf ben ik al enige tijd “techniekopa” in de klas van mijn kleinzoon David. Dan ga je met vierjarigen praktisch aan de slag. Wat is een tandwiel, hoe werkt het en waarvoor gebruik je het? Of muurtjes metselen. Wat is verband en wat gebeurt er, als je dat vergeet? Op die wijze kan ik invulling geven aan de “participatiesamenleving”  waar zoveel over geroepen wordt. Dat past ook goed in het voorbereiden op mijn pensioen, dat toch wel zal komen over enkele jaren. Zoals Power het omschrijft: investeren in je persoonlijke groei, sociale netwerken en zinvolle activiteiten.

Stichting Gilde Nederland
De Stichting Gilde Nederland biedt daarvoor inspiratieworkshops en POWER-kringen om ideeën op te doen etc. Voor het onderwijs biedt dit (ook in het kader van de drie decentralisaties met de vergroting van de eigenkracht) mogelijkheden nieuwe vrijwilligers te zoeken en vinden en ze ook nog ondersteuning te kunnen aanbieden. Wellicht zijn er verbanden te leggen met je collega’s van de WMO, waarvan het vrijwilligerswerk toch een prestatieveld was? En als ervaringsdeskundige kan ik meegeven: Het is leuk en dankbaar en de kinderen weten de gekste vragen te stellen of opmerkingen te  maken. Bekijk de folder van Gilde Nederland.

Hans Hoes

Met de overheveling van delen van de AWBZ naar de WMO raken duizenden medewerkers in de thuiszorg hun baan kwijt en krijgen veel cliënten geen thuiszorg meer. Scholing op maat én de invoering van de dienstencheque (zoals die al 10 jaar in België bestaat) kan het tij keren.

Laaggeschoold werk in Nederland
Dit schooljaar (2014-2015) wordt in het Middelbaar beroepsonderwijs (MBO) gestart met de Entree opleiding. Deze opleiding biedt jongeren zonder diploma de mogelijkheid in één jaar een diploma op niveau 1 te behalen. Dan zijn er twee uitstroomprofielen: óf doorstuderen in het MBO 2 óf aan het werk. De opleiding bevat veel praktijkervaring, arbeid etc. Maar is dat werk wel aanwezig op betrekkelijk laag niveau?
In januari 2015 vinden drie grote transities plaats, de decentralisaties in het sociaal domein. Met name de overheveling van delen van de AWBZ naar de WMO en de bezuinigingen op de huishoudelijke hulp roepen veel onzekerheid op. Duizenden zorghulpen dreigen ontslagen te worden. De veelal ouderen die de thuishulp nodig hebben weten niet waar ze aan toe zijn. Komt volgend jaar hun hulp nog?
In Gouda en omstreken hebben in de periode 2008-2012 een honderdtal migrantenvrouwen werk in de thuiszorg gevonden als gediplomeerde zorghulp 1. Een combinatie van scholing op het ROC ID-College, de visie van Zorgpartners Midden-Holland en het bijeenbrengen van allerlei geldstromen hebben tot dat succes geleid*.  Zijn er mogelijkheden om én de thuiszorg overeind te houden én te voorzien in eenvoudig werk op niveau 1 in de dienstverlening aan huis?

Schoonmaakmarkt in beweging 
Leerwerkbedrijf in en ex company:  Vebego, een Sociaal Maatschappelijke Onderneming o.a. actief in de schoonmaak (Hago) en de zorg (Assist, Hago Zorg) is permanent op zoek naar goed gemotiveerd vakbekwaam personeel. Daarom heeft ze de afgelopen jaren uitdrukkelijk samenwerking met het MBO gezocht. In opdracht van het ROC verzorgt Vebego een aantal facilitaire diensten op het ROC, uitgevoerd door hun eigen personeel samen met stagiaires van het ROC die via een leerwerkbaan praktijkervaring opdoen. Het is een concept dat vooral voordelen biedt. Bij het ROC worden de facilitaire diensten goed uitgevoerd, de leerlingen van het ROC doen hun praktijkervaring op en kunnen (na het behalen van hun diploma) doorstromen bij Vebego. Het is vergelijkbaar met het Goudse project met Zorgpartners. Inmiddels werkt dit concept bij de ROC’s in Groningen, Nijmegen, Heerlen en Venlo. In de zorgsector is een vergelijkbaar concept ontwikkeld. In nauwe samenwerking met de ROC’s is het ZAP Gilde**  ontwikkeld. Daarbij volgen de studenten volgens het aloude ‘meester gezel’ systeem hun opleiding met heel veel praktijkervaring. In nauwe samenwerking tussen leermeester en gezel ontwikkelen de studenten zich tot professional in hun branche. In Groningen en Heerlen wordt ook op deze wijze gewerkt.

Dienstencheque  
In Nederland is de (particuliere) huishoudelijke hulp vooral een onderdeel van de informele markt, in tegenstelling tot de Wmo en AWBZ-zorghulp, terwijl het werk niet veel van elkaar verschilt. De arbeidsparticipatie van laagopgeleide vrouwen in Nederland is relatief laag en de werkloosheid onder huishoudelijke hulpen loopt op. Vebego, heeft vorig najaar PWC opdracht gegeven onderzoek te doen naar nieuwe werkgelegenheid voor laagopgeleiden***. PWC concludeerde dat de invoering van de Dienstencheque (die in België al 10 jaar bestaat) in Nederland de arbeidsmarkt voor laaggeschoolden stimuleert. Dit zou kunnen starten met dienstencheques of vouchers voor huishoudelijke hulp en wellicht worden uitgebreid  met (lichte) zorgtaken. Het dienstencheque systeem zou in Nederland tot ca. 228.000 banen kunnen leiden, waarvan de helft nieuwe banen zijn. Dat is veel meer dan bij andere stimuleringsmaatregelen (zoals de Melkertbanen, ID-banen of de Regeling dienstverlening aan huis). De maatregel richt zich op stimulering van de vraag wat leidt tot economische activiteit. Het beperkt daarmee de werkloosheid onder de laagopgeleiden. Deze maatregel is ook kostenefficiënter dan de eerdere arbeidsmaatregelen in Nederland. Meer dan 75% van de ingezette uitgaven van de overheid vloeien terug. De commissie Kalsbeek komt in haar advies ‘Dienstverlening aan huis, wie betaalt de rekening’ van maart 2014******tot een andere kosten-baten analyse. Wel adviseert zij in haar conclusies experimenten en pilots te doen met subsidiesystemen zoals dienstencheques. 

Schoonmaakhulp via Internet                                                                                                                   Inmiddels wordt ook via Internet huishoudelijke hulp aangeboden. De oprichter van Zalando en Groupon ziet een nieuwe markt. In aansluiting op ontwikkelingen in Amerika en Engeland wordt ook in Europa de schoonmaakhulp digitaal ingekocht. Vraag en aanbod worden voor zo’n 20% van de kosten online met elkaar verbonden. De site is sinds juni actief en zou inmiddels 200 schoonmakers al 1500 maal bemiddeld hebben in Amsterdam, Rotterdam Utrecht en Den Haag. De gebruiker geeft aan op welk tijdstip voor welke werkzaamheden iemand nodig is, die wordt digitaal gereserveerd en ook de betaling geschiedt via internet. Helpling garandeert gekwalificeerd personeel, goed opgeleid, betrouwbaar etc. Maar als bemiddelaar heeft zij geen arbeidsrelatie met de schoonmaakhulp. Of betrokkenen in het formele of informele circuit werkzaam zijn is derhalve niet bekend, evenals de andere arbeidsvoorwaardelijke zekerheden. Inmiddels is zij ook in Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Frankrijk actief.

Opvattingen vakbonden en werkgeversorganisatie                                                                                                                              De vakbonden bepleiten de invoering van een met België vergelijkbare dienstencheque, maar dan met name voor de Wmo/AWBZ geïndiceerde huishoudelijke (zorg)hulp. Daniëlle van der Eerden van  CNV Publieke Zaak betoogde in de VK van 7 augustus de invoering van de dienstencheque in de thuiszorg. Daarmee wordt volgens haar voorkomen dat het huidige zorghulpen weer de rechteloze Alfahulp worden en blijft de bestaande expertise en rechtszekerheid overeind. Die optie is voorgelegd aan het ministerie van VWS, maar nog niet overgenomen. Actiz, de organisatie van zorgondernemers, is ook een groot voorstander van de invoering van dienstencheques. In een hoorzitting in februari met VWS heeft zij dit bepleit, gemotiveerd met een argumentenkaart Dienstencheque, opgesteld door de argumenten-fabriek.  Wel heeft staatssecretaris van Rijn inmiddels voor 2015 en 2016 jaarlijks € 75 miljoen beschikbaar gesteld voor een huishoudelijke hulp toelage om de bestaande kwaliteit overeind te houden en een ontslaggolf te voorkomen. Eind augustus zijn de gemeenten daarover geïnformeerd. In de informatiekaart huishoudelijke hulptoelage**** van augustus geeft het ministerie van VWS als één van de voorbeelden het verstrekken van vouchers. Met andere woorden het kan al lokaal worden ingevuld. De FNV ziet veel meer in de systeem van dienstencheques of vouchers dan de online inhuur van huishoudelijke hulpen. Dat biedt rechtszekerheid voor het personeel aan de onderkant van de arbeidsmarkt en staat biedt meer mogelijkheden voor een verdere professionalisering van de dienstverlening aan huis.

Verbinden opleiding, werk en dienstencheque
De verbinding van opleiding en werk via een meester-gezel principe heeft ook de volle aandacht van het ministerie van OCW. In haar brief van 2 juni 2014***** (ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo) schets minister Bussemaker de opzet van een gecombineerde leerweg voor de ‘doeners zonder zitvlees’ in de niveaus 1 en 2 en de introductie van het vakcollege als  schakel tussen vmbo en mbo. Ook wil zij levenslang leren (ouderen weer terug naar her- en bijscholing) stimuleren. Het daarboven inzetten van de dienstencheque of vouchers lijkt een waardevolle aanvulling om de dienstverlening in Nederland verder te professionaliseren. Het onderzoek van PWC naar nieuwe werkgelegenheid voor laagopgeleiden heeft (landelijk) nog niet tot conclusies geleid. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geïnteresseerd, maar  met de komst van de participatiewet laat zij de invulling van het arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid over aan de regio’s. Het ministerie van VWS ziet wel mogelijkheden. Enkele gemeenten ontwikkelen plannen met vouchers of dienstencheques.

Conclusie
Gelet op de conclusies van het onderzoek van PWC en de adviezen van de commissie Kalsbeek zouden meer gemeenten/arbeidsmarktregio’s vouchers of dienstencheques moeten invoeren om de huishoudelijke dienstverlening aan hun (zorg) burgers verder te professionaliseren en daarbij de werkgelegenheid op de lagere niveaus te versterken. De extra budgetten van staatssecretaris van Rijn zouden hiervoor aangewend kunnen worden. Tot 15 oktober kunnen de gemeenten hierop aanspraak maken bij VWS. Ik nodig de ministers Asscher en Bussemaker en staatssecretaris van Rijn uit  afspraken te maken om de werkgelegenheid in de huishoudelijke dienstverlening via een systeem van dienstencheques  verder te professionaliseren.

Hans Hoes

Projectleider/beleidsadviseur bij het ISMH en de LVO www.lvo-onderwijs.nl; hhoes@ismh.nl

Bronnen

*Meer allochtone vrouwen aan de slag in de zorg, Sociaal Bestek februari 2012
**ZAP Gilde, zie clip Youtube
***Nieuwe werkgelegenheid voor laagopgeleiden, de waarde van dienstencheques voor Nederland. 23 september 2013 door PWC in opdracht van Vebego
****Informatiekaart huishoudelijke hulp toelage (met bijlagen) augustus 2014 ministerie VWS
*****Ruim baan voor vakmanschap, dd 02-06-2014 (ref 628389) brief van minister Bussemaker aan de tweede kamer
******Dienstverlening aan huis: wie betaalt de rekening, advies van de commissie Dienstverlening aan huis, maart 2014

De Dienstencheque in België
In 2004 geïntroduceerd systeem, waarbij gebruikers cheques kopen tegen gereduceerd tarief (€ 8,50 per uur) en daarvoor huishoudelijk werk laten verrichten door werknemers (laaggeschoold/werklozen) in dienst bij een erkende onderneming. Suppletie van 60% door de overheid. Thans maakt bijna 20% van de huishoudens in België er gebruik van.

Inschrijven activiteit

Activiteit:
Gemeente / Organisatie:
Voornaam
Achternaam
Straatnaam
Huisnummer
Postcode
Woonplaats

Factuuradres:

Straatnaam:
Huisnummer:
Postcode:
Woonplaats:

Nieuwsbrief

Wilt u de nieuwsbrief ontvangen? Vul dan hier uw e-mailadres in.

Inschrijven activiteit

Activiteit:
Gemeente / Organisatie:
Voornaam
Achternaam
Straatnaam
Huisnummer
Postcode
Woonplaats

Factuuradres:

Straatnaam:
Huisnummer:
Postcode:
Woonplaats:
E-mailadres
Agenda
Geen agenda items.
Er bevinden zich geen gebeurtenissen in de agenda.

Lid worden

De LVO is een beroepsvereniging en netwerkorganisatie voor onderwijsadviseurs bij gemeenten en bedrijven. De organisatie deelt haar kennis en adviseert de landelijke overheid en de VNG op de deze dossiers.

» Meer informatie en aanmelden


Beëindigen van uw lidmaatschap

U kunt uw lidmaatschap beëindigen door dit kenbaar te maken vóór 1 december van het lopende jaar.